FOCUS: DE.PLOEG

‘Het is niet elke dag dat we nodig zijn’
Zuidpool in gesprek met Matthias Hellemans van de.ploeg


Wie is de.ploeg en wat heeft jullie samengebracht?

Matthias Hellemans: We hebben elkaar leren kennen op het Conservatorium in Antwerpen. We hebben daar niet allemaal samengewerkt, maar we voelden een sterke affiniteit met elkaar. Enkele jaren geleden hebben we ons voorgenomen om ooit samen iets te maken. Toen iedereen afgestudeerd was, zijn we er aan begonnen.

‘Het is niet elke dag dat we nodig zijn’ is onze eerste voorstelling. We hebben er in het voorjaar van 2018 aan gewerkt in de repetitieruimte van deRoovers. Toen we try-outs gingen spelen, wilden we dat niet onder onze eigen namen doen. Nu zou ik graag een lang en diepgaand verhaal vertellen over het ontstaansproces van de naam ‘de.ploeg’, maar de waarheid is niet spectaculair. Toen iemand zich luidop afvroeg “Hoe gaan we dat ploegske noemen?” hadden we het meteen gevonden. Voor ons is het groepsgegeven cruciaal: we willen als één groep aan iets  werken en er collectief helemaal achter staan. De term ‘ploeg’ draagt ook een openheid in zich: wij vormen de harde kern, maar er kunnen nog mensen bijkomen.


Hoe zijn jullie aan deze productie begonnen?

De eerste aanzet kwam van Vincent en Danny, die een aangrijpende, tragikomische documentaire zagen over twee alcoholverslaafden. Ze schreven de dialogen uit en ‘speelden’ ze voor mij, ter inspiratie. Ze hadden me verboden om de documentaire zelf te zien, zodat ik in het kijken en het schrijven niet beïnvloed zou worden door het origineel.

Ons uiteindelijke stuk heeft nog weinig met de documentaire te maken, behalve dat het in essentie gaat over twee mensen die proberen om van elkaar los te komen, maar die niet zonder elkaar kunnen. Ze vinden steun bij elkaar in hun verdriet maar ze zijn ook genadeloos hard. Tijdens het schrijven van de tekst is er een derde personage bijgekomen, gespeeld door Taeke. In de docu wordt alleen over haar gesproken, bij ons is ze als een volwaardig personage ook lijfelijk aanwezig. Mijn tekst is het echte vertrekpunt van de voorstelling.


Jullie werken collectief, maar iedereen heeft wel een bepaalde rol. Hoe werkt dat in de praktijk?

Taeke, Vincent en Danny zijn spelers, Zino is muzikant, ik ben schrijver. Ieder heeft zijn talenten, ieder zijn métier. Wij pretenderen niet dat iedereen een maker is, die zowel tekst als regie als spel als vorm voor zijn rekening neemt. Dat lijkt tegenwoordig wel de standaard geworden. Alle respect voor wie dat kan, maar wij werken liever op een andere manier. Mensen moeten zich volgens ons kunnen ontwikkelen in datgene waar ze het best in zijn. Wij geloven meer in de oude, niet bijzonder hippe traditie om te vertrekken van een nieuw geschreven theatertekst en de spelers vooral te laten spelen. Die afbakening werkt goed voor ons. 


“Wij geloven in de oude, niet bijzonder hippe traditie om te vertrekken van een tekst en de spelers vooral te laten spelen.”

Dat betekent niet dat de tekst voor ons heilig is. Er wordt lang gelezen en grondig over gediscussieerd. Dan ben ik vaak een soort stille getuige en neem ik van die discussies stukjes dialoog, een bepaalde energie of een emotie over, waaruit ik dan weer nieuwe puur. Zo is dit stuk gegroeid en zijn we tot een tekst gekomen die klaar was voor de start van de eigenlijke repetities en die door iedereen gedragen werd.


Jij volgde de opleiding Woordkunst. ‘Het is niet elke dag dat we nodig zijn’ is jouw debuut als theaterauteur. Hoe loopt dat schrijven voor jou?

Tijdens de opleiding kwam schrijven voor theater amper aan bod. Er waren wel een beperkt aantal schrijfopdrachten. Die vond ik altijd erg stresserend, en ik probeerde ze ‘zo goed mogelijk’ te doen. Zo’n vier jaar geleden hadden we les van Bart Moeyaert, en ik heb toen een monoloog geschreven vanuit het persepectief van een vrouw die uit een oorlogsgebied komt. Ik worstelde erg met mijn eigen schrijven, en die opdracht heb ik geschreven met een houding van ‘het kan me allemaal niet veel schelen’. Die attitude heeft me kennelijk geholpen: ik heb met die tekst de tweede prijs van de Write Now competitie mee gewonnen. Het leidde sommigen tot vergelijkingen met Jan Decorte, Pjeroo Roobjee, J.M.H. Berckmans, Hugo Claus zelfs, al zou ik dat mezelf nooit in dat rijtje durven plaatsen.

In elk geval heb ik toen gevoeld dat ik nog veel in de stijl van die monoloog zou kunnen schrijven. Het heeft een aantal jaren nodig gehad om te rijpen, maar nu voel ik me er klaar voor, en in het werken voor de.Ploeg komen een aantal lijnen samen. Zelf heb ik een enorme bewondering voor de stiel van het spelen, en het voelt als een godsgeschenk om voor hen te mogen schrijven. Het is een voortdurende wisselwerking. Ik leer van hen hoe ik voor personages moet schrijven. Er zijn soms stukken tekst die ik zelf niet wil gebruiken, maar waar de spelers net gek op zijn en zelfs meer van willen. Het is dankbaar om te weten voor wie je schrijft. Ik snap steeds meer wat het kan betekenen dat ‘een tekst iemand op het lijf is geschreven’.

“Ik haal veel inspiratie uit dagelijkse situaties en dialogen die ik opvang. Ik ga bijvoorbeeld vaak met mijn hond naar zo’n hondenwei. Wat je daar allemaal hoort, is geweldig!”

Sinds we met de.ploeg zijn begonnen, lees ik elke dag een theatertekst. Dat is enorm verrijkend. Zo heb ik bijvoorbeeld net het verzameld werk van Eric de Volder gekocht, fantastisch. Ik vind het ook heerlijk om klassiekers in een oude vertaling te lezen, zoals onlangs nog ‘Hamlet’. Voor de woordenschat, maar ook voor de manier waarop metrum en rijm worden gebruikt. Daaruit neem ik soms aspecten of woorden over in mijn eigen schrijven. 

Naar mijn gevoel schrijf ik realistisch. Het verbaast me dan ook dat ik vaak te horen krijg dat mensen het absurdistisch vinden. Ik haal veel inspiratie uit dagelijkse situaties en dialogen die ik opvang. Ik ga bijvoorbeeld vaak met mijn hond vaak naar zo’n hondenwei. Wat je daar allemaal hoort, is geweldig! 

Je schrijft de tekst en je bent daarna ook bij alle repetities. Is het niet moeilijk om de tekst dan los te laten? Heb je nooit de neiging om te gaan regisseren? 

Er was een tijd dat ik regisseur wilde worden, maar ik ben er intussen achter gekomen dat ik veel meer een schrijver ben. En onvermijdelijk druist wat je bij een repetitie ziet, soms wel in tegen hoe je iets geschreven of bedoeld hebt. Maar we werken tijdens de repetities echt als groep. We werken zelfs het liefst achter gesloten deuren. Aanvankelijk hadden we zoals de meeste van onze collega’s de neiging om allerlei bevriende acteurs uit te nodigen op een toonmoment. Maar je weet dat je dan tien verschillende meningen krijgt, waartoe elk van ons zich dan misschien anders verhoudt. Er schuilt het gevaar in dat je daarna bewust of onbewust keuzes maakt die tot een soort compromis leiden, of dat je verdeeldheid krijgt. Dus hebben we de deur dicht gehouden en helemaal alleen gewerkt. Dat heeft ons als groep sterker gemaakt en dichter gebracht bij wat voor ons de essentie is en hoe we die kunnen bereiken. Onze groepsdynamiek is niet verstoord door meningen van anderen. Ook als we bij na de première worden neergesabeld, zullen we als groep volledig achter onze keuzes staan.

Opgetekend door David Cornille

“Het is niet elke dag dat we nodig zijn” première 9 oktober 2018 in Zuidpool
“Koningskloote” première op 26 februari 2019 in Zuidpool